Home Over VerkiezingenVS.comMeedoen?Huisregels

Amerikaanse Partijgeschiedenis deel 11: Van pindaboer tot president

Jasper Maassen op 28 oktober 2016 - Reageren

In ons historisch overzicht van de Amerikaanse partijengeschiedenis en de presidenten in het bijzonder zijn we inmiddels aangekomen bij de eerste oud-president die nog in leven is: Jimmy Carter. De enige Democratische president in de periode 1969- 1993 wordt vaak gezien als een enigszins mislukte president die vooral veel succes heeft gehad in zijn periode na het Witte Huis. Het vorige deel is hier te lezen.

 

Nipte overwinning

Carter, die als gouverneur van Georgia goed lag bij de bevolking van de Zuidelijke staten, nam het in 1976 op tegen de nog niet zo lang zittende president Ford. Daar ging een hobbelig leven aan vooraf. Carter groeide op in een buurt waar hij veel Afro-Amerikaanse speelkameraden had. In de tijd van segregatie was dat opmerkelijk, maar het sloot aan op de relatief progressieve waarden die Carter van zijn ouders meekreeg. Carters carrière in de marine eindigde abrupt toen zijn vader overleed en hij de pindaboerderij van de familie ging leiden. Via de staatssenaat werkte hij zich omhoog tot gouverneur en uiteindelijk presidentskandidaat.

Er was in de peilingen geen twijfel over mogelijk: de vrome Carter, die overkwam als een soort Joe Sixpack, zou eindelijk de Amerikaanse politiek in rustig vaarwater kunnen krijgen. Toch werd de verkiezing beslist met een klein verschil: 297 tegen 240 kiesmannen. Dit had voor een groot deel te maken met een interview dat Carter aan Playboy gaf, waarin hij zijn vrome imago wilde bijstellen om seculiere stemmen te trekken in Californië. Dat hij “met lust naar andere vrouwen had gekeken” en “in zijn hart meermaals overspel had gepleegd”, kwam hem echter niet ten goede.

 

Helen van de wonden

Een nipte overwinning telt echter net zo goed, en al op zijn tweede dag als president liet Carter zien dat hij van plan was de vele wonden van het land – oorlogen, moorden, schandalen omtrent (vice) presidenten – te helen: hij verleende een generaal pardon aan de dienstweigeraars van de Vietnamoorlog.

Daarnaast ging Carter door op de weg die Gerald Ford was ingeslagen: het ceremoniële gedeelte van het presidentschap, dat met name dankzij Nixon een negatieve bijsmaak had gekregen, moest afgebouwd worden. Carter was bescheiden, wilde liever Jimmy genoemd worden dan James (zijn officiële voornaam), en probeerde met een televisie-versie van een fireside chat door te dringen tot de burgers. Helaas voor hem ging het na afloop vooral over de trui die hij aanhad in plaats van over de inhoud. Schoorvoetend begon Carter dus weer enkele ceremoniële gebruiken in ere te herstellen.

 

Problemen met het Congres

Carter had net als zijn voorgangers problemen met wetgeving door het Congres krijgen. Maar in tegenstelling tot Nixon en Ford beschikte hij over een ruime meerderheid. Het conflict in de Democratische partij kwam voort uit Carters positie als buitenstaander met andere plannen had dan de door de wol geverfde Washingtonites die het Congres bevolkten. Een probleem dat ook op de loer ligt voor Donald Trump, mocht hij uiteindelijk president worden. Carter wist echter zijn relatie met het Congres te verbeteren en heeft nog redelijk wat voor elkaar gekregen.

 

Buitenland

Carter zal echter vooral de geschiedenis ingaan om twee buitenlandse zaken. Ten eerste slaagde hij er in 1978 in om in Camp David een vredesakkoord op papier te krijgen tussen Israël en Egypte. Een belangrijke stap met betrekking tot het Middenoosten, en exemplarisch voor het vredeswerk dat Carter na zijn presidentschap doorzette. In 2002 leverde hem dat de Nobelprijs voor de vrede op.

Het andere conflict was de gijzelingscrisis in Iran. In de voetsporen van de Iraanse revolutie, waarbij Khomeini de macht overnam van de sjah, namen Iraanse studenten 63 Amerikanen in gijzeling op hun eigen ambassade. De 444 dagen dat deze gijzeling duurde, stond eigenlijk symbool voor de machteloosheid van president Carter: in eerste instantie met Congres, later met Afghanistan, Pakistan en Iran. Het zorgde voor voldoende munitie voor Ronald Reagan, die Carter in 1980 succesvol uitdaagde. Extra zout in de wonde voor Carter was dat Iran de gijzelaars vrijliet, vijf minuten nadat Reagan de presidentiële eed aflegde.

 

Dit artikel is geschreven met behulp van The American Presidency: Origins and Development, 1776-2007, fifth edition, van Sidney M. Milkis en Michael Nelson

 

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.